Voor meer informatie kunt u contact op nemen met de auteur: Ard-Jan Francke
In deze scriptie voor de opleiding Bestuurskunde (afstudeeronderzoek uitgevoerd bij de provincie Zeeland) staan bevolkingskrimp en het gemeentelijke woonbeleid centraal. De gevolgen van bevolkingskrimp voor gemeenten zijn al verschillende malen uiteengezet in rapporten, nota’s en onderzoeken. Met name op het terrein van wonen zijn deze gevolgen urgent (o.a. dalende vraag, waardedaling, leegstand, verpaupering). In dit onderzoek wordt onderzocht hoe het komt dat beleidsverandering bij gemeenten toch zo moeizaam verloopt.
De casus bestaat uit de drie gemeenten in Zeeuws-Vlaanderen (Sluis, Terneuzen en Hulst) en in het bijzonder hun woonbeleid. Belangrijke vragen in de scriptie zijn onder andere:
Een aantal bevindingen wordt hieronder kort uiteengezet. Veranderingen in woonbeleid Verandering in het woonbeleid van de drie gemeenten in Zeeuws-Vlaanderen komt moeizaam tot stand. Hoewel de drie gemeenten zich sinds 2006 meer en meer bewust zijn geworden van de gevolgen van krimp heeft dit niet tot drastische beleidswijzigingen geleid. Van oudsher beconcurreerden de gemeenten elkaar door middel van woningbouw, met als inzet de steeds schaarser wordende inwoners. Individueel gezien hebben gemeenten de laatste jaren wel de intentie om samen te werken en zijn er ook wel enkele pogingen daartoe ondernomen. Tot op heden heeft dit echter niet geleid tot een regionaal samenwerkingsverband met afspraken over nieuwbouw en de aanpak van de bestaande woningvoorraad. Belemmeringen voor beleidsverandering Jarenlang hebben gemeenten ieder voor zich de weg van groei en nieuwbouw bewandeld. Door zogenaamde ‘factoren van padafhankelijkheid’, is het heel lastig om nog van deze route af te wijken. Padafhankelijkheid wil zeggen dat ‘hoe langer doorgegaan wordt op een bepaalde route, hoe moeilijker het wordt om er nog van af te wijken. Men wordt afhankelijk van het pad wat in het verleden is gekozen. Doordat jarenlang gehamerd is op nieuwbouw (om extra inwoners te trekken), zijn er allerlei routines, systematieken, regels en beelden ontstaan. Een succesvolle regionale samenwerking en afstemming op het terrein van wonen vereist in iedere gemeente een beleidsomslag van streven naar groei naar anticiperen op krimp. Doordat gemeenten zo gewend en gehecht zijn aan het oude woonbeleid, is deze beleidsomslag een kostbare aangelegenheid. Het zogenaamde ‘groeiparagdigma’ wordt daarmee een gevangenis, omdat het gemeenten beperkt in hun mogelijkheden om buiten de gebaande paden te treden.
Een voorbeeld hiervan zijn de investeringen in nieuwbouwprojecten die als gevolg van krimp onder druk komen te staan. Het schrappen van de projecten leidt tot verlies op de investeringen. Bovendien kunnen ze niet zo maar worden teruggedraaid; er liggen contracten, afspraken en bestemmingsplannen aan ten grondslag. Verder zitten er indirecte prikkels, regels, routines en afspraken in het woonbeleid die voortzetting van dat beleid stimuleren. En er is in het verleden nauwelijks geld gereserveerd voor sloop, renovatie of andere nieuwbouw. Dat alles maakt het moeilijk om van beleidspad te wisselen en zo worden nieuwe, ongebaande en onverkende paden maar mondjesmaat ingeslagen. De consequentie hiervan is dat iedere gemeente een overschot aan woningen blijft plannen, waardoor van regionale samenwerking en afstemming weinig terecht komt. Stimuleren van beleidsverandering Padafhankelijkheid zorgt ervoor dat beleidsverandering een moeilijke zaak is. Vanwege het onvermogen om uit de gebaande paden te treden is er juist sprake van stabiliteit in het woonbeleid. De crux is om in deze situatie van hardnekkige stabiliteit, dynamiek en flexibiliteit in te brengen. Mogelijkheden hiervoor zijn bijvoorbeeld kleine, relatief goedkope stapjes zoals experimenten en projecten op kleine schaal. Dergelijke kleine experimenten zijn geschikt als ‘stapsteen’ om buiten de gebaande paden te treden. Andere voorbeelden van dynamiek zijn bijvoorbeeld het flexibiliseren van bestemmingsplannen en het betrekken van marktpartijen (‘bottom-up’ benadering).